Verslag doen over een land waar je niet (meer) in mag: twee correspondenten vertellen hoe ze dat doen



Beeld Micha Huigen

Tom Vennink

Wanneer je wordt uitgezet als buitenlandcorrespondent, dan is er één vrouw die je wilt spreken: Megha Rajagopalan. Ze moest in 2018 na zes jaar correspondentschap gedwongen China verlaten, maar bleef vanuit het buitenland China-verhalen schrijven en won er een Pulitzer Prize mee, de hoogste onderscheiding in de Amerikaanse journalistiek.

Ik werd in november Rusland uitgezet, ook na zes jaar correspondentschap, en heb geen idee hoe ik verhalen kan blijven maken over Rusland, laat staan prijswinnende verhalen. Nederland voelt als de verkeerde plek om verslag te doen van Russen. Maar nu de klacht tegen mijn uitzetting – officieel wegens twee administratieve overtredingen van enkele jaren geleden – nog in behandeling is, zit er niets anders op dan Rusland van buiten te beschrijven.

Tom Vennink Beeld Pauline Niks

Tom VenninkBeeld Pauline Niks

Helaas zijn er veel collega’s om van te leren. Journalisten uit Nicaragua verslaan hun land gedwongen vanuit Costa Rica. De journalisten van Belarus zitten in Polen en Litouwen. En de verslaggevers van Turkmenistan zijn overal ter plekke, behalve in Turkmenistan.

Russische journalisten doen ook steeds vaker op een andere plek verslag van hun land. In 2017 keek ik in de Letse hoofdstad Riga al eens mee op de redactie van de onafhankelijke nieuwssite Meduza, een enclave van Russisch journalistiek talent. Dat was nog in de tijd waarin ik, als geprivilegieerde buitenlandcorrespondent, dacht dat alleen Russische journalisten zich zorgen moesten maken over verbanning.

Goed, Megha Rajagopalan dus. Ze is een van de tientallen buitenlandse correspondenten die in de afgelopen jaren China zijn uitgezet. Bij haar gebeurde dat vlak nadat ze als eerste buitenlandse journalist een bezoek had gebracht aan een van de geheime heropvoedingskampen voor Oeigoeren en andere moslimminderheden. De Chinese autoriteiten besloten daarop haar journalistieke visum niet te verlengen. Klinkt iets vriendelijker dan uitzetting, maar komt op hetzelfde neer.

Rajagopalan bleef verslag doen van China. Bij een cursus datajournalistiek in een nonnenklooster in Montenegro ontmoette ze een architect, die haar kennis van kaarten en 3D-modellen gebruikt voor journalistiek onderzoek. Ze bundelden hun krachten voor een vervolgonderzoek naar de heropvoedingskampen. Aan de hand van satellietbeelden en interviews met gevluchte oud-gevangenen legden ze in een vijfdelige verhalenreeks de massale infrastructuur bloot van de kampen waar China naar schatting een miljoen mensen heeft opgesloten zonder proces.

null Beeld Micha Huigen

Beeld Micha Huigen

Rajagopalan twijfelt of ze de verhalenreeks ook vanuit China had kunnen maken. ‘Het klimaat voor journalisten is aanzienlijk veranderd, dus ik weet het niet zeker, maar misschien had het wel gekund’, zegt ze. ‘In China kun je ook technieken gebruiken voor openbare data, al heb je soms VPN nodig. En je hebt in China natuurlijk te maken met veel meer druk van overheidsfunctionarissen, maar omgaan met die druk is een deel van ons werk als journalisten.’

Nee, voordelen van uitzetting ziet ze eigenlijk niet. Wel nadelen, zoals de moeilijkheid om vertrouwen te winnen van een gesprekspartner als je elkaar niet in de ogen kunt kijken.

Ze had het geluk dat je buiten China meer kans hebt om oud-gevangenen te interviewen over de omstandigheden in de kampen. Binnen China is het voor hen te gevaarlijk om er ongecensureerd over te praten. Rajagopalan sprak tientallen oud-gevangenen in China’s buurland Kazachstan, een toevluchtsoord voor Kazachse moslims uit de nabijgelegen Chinese provincie Xinjiang.

Rusland laat ook sporen na in buurlanden, zo merkte ik de afgelopen twee maanden aan de buitengrenzen van het grootste land op aarde. Ik zag Georgië kleiner worden doordat Russische grenstroepen het prikkeldraad rondom een separatistenrepubliek verleggen. In hoofdstad Tbilisi stuitte ik op een grote gemeenschap Russische dissidenten die ballingschap in Georgië hebben verkozen boven een strafkolonie. En in Kazachstan kwam ik nog meer Russen tegen, ditmaal vredessoldaten die rugdekking hadden gegeven aan Kazachse soldaten bij een dodelijke jacht op ‘in het buitenland getrainde terroristen’, al trof ik meer bewijs aan voor een jacht op demonstranten.

Nog meer Russische sporen liggen in Oekraïne. Oekraïners vertelden me in schuilkelders en legerbases hoe ze zich voorbereiden op een nieuw bezoek van de oosterburen, al ontkent Rusland invasieplannen te hebben.

Maar hoe houd je op al die plekken oog voor het Russische perspectief? En voor de opvattingen van de 144 miljoen Russen die niet als dissident naar Georgië zijn gevlucht?

Ik vraag Roeslan Mjatiëv hoe hij met zulke kwesties omgaat. Mjatiëv is journalist en oprichter van Turkmen.news, een site over de actualiteit in Turkmenistan, een land dat zo gesloten is dat zelfs het inwonertal geheim is. Hij wil de Turkmenen en de wereld laten zien wat er in Turkmenistan gebeurt. Dat doet hij vanuit Nederland – zijn woonplaats houdt hij uit veiligheidsoverwegingen geheim. Hij is sinds 2008 niet in zijn geboorteland geweest.

Mjatiëv baseert zijn artikelen op contact met mensen in Turkmenistan. In de afgelopen 12 jaar heeft hij een netwerk opgebouwd van honderden Turkmenen die hem van documenten, foto’s en video’s voorzien. Dat begon door lukraak artikelen te sturen naar mensen in Turkmenistan. Een deel van de ontvangers meldde zich aan voor meer artikelen en ging informatie terugsturen. ‘Ik moest het vertrouwen winnen van mensen’, zegt Mjatiëv. ‘Dat kostte jaren.’

Inmiddels heeft hij zoveel bronnen in Turkmenistan dat hij geregeld exclusief nieuws heeft. Zo ontkrachtte hij de bewering van de regering dat er na twee jaar pandemie nog geen enkele coronabesmetting is vastgesteld in Turkmenistan. Mjatiëvs site publiceerde vorig jaar een lijst met 70 mensen die zijn overleden aan het virus. Ook publiceert de site geregeld onderzoeken over dwangarbeid op katoenvelden en over corruptie binnen overheidsinstanties.

Voor zijn bronnen is communiceren met een kritische nieuwssite in het buitenland niet zonder gevaar. In de afgelopen twaalf jaar zijn vier Turkmenen in de gevangenis beland wegens contact met Mjatiëv en diens team. Een van hen is veroordeeld tot 4 jaar cel na het delen van een foto van een delegatie van de Wereldgezondheidsorganisatie: de delegatie bezocht Turkmenistan in verband met een pandemie die volgens de Turkmeense regering niet bestaat in eigen land.

Mjatiëv neemt tegenwoordig veiligheidsmaatregelen waar veel redacties van kunnen leren. Hij communiceert niet via e-mail, alleen via beveiligde kanalen en berichtenapps. Als hij nieuwswaardige video’s of foto’s ontvangt uit Turkmenistan, dan wacht hij minstens drie maanden voordat hij ze publiceert. Anders kan de Turkmeense overheid de maker van de beelden mogelijk opsporen via beveiligingscamera’s, zegt hij. Pas na drie maanden weet hij zeker dat de beelden van de camera’s zijn verdwenen. Bij beelden vanaf beveiligde locaties, zoals vliegvelden, wacht hij zelfs een jaar, aangezien de servers van die camera’s meer opslagruimte hebben.

‘Ik ben heel trots op de mensen die ons informeren’, zegt Mjatiëv. ‘We moeten iedere mogelijke maatregel nemen om ze te beschermen.’

Rusland is vrijer dan Turkmenistan. Maar ook voor Russen kan het gevaarlijk zijn om met buitenlandse correspondenten te praten over zaken die de overheid wil verbergen. En ik kan me voorstellen dat ze nog voorzichtiger zijn als de correspondent op grote afstand zit, zoals ik.

Alleen: correspondenten zijn niet alleen geïnteresseerd in informatie die een overheid wil verbergen. Rusland verdient nuancering. Kun je die aanbrengen vanuit het buitenland? Zie je dan wel dat er in Moskou talloze gayclubs en queerfeesten bestaan terwijl er anti-homowetten gelden? Of dat er, ondanks opsluitingsgevaar voor klimaatdemonstranten, er in de poolcirkel Russische wetenschappers werken aan baanbrekend klimaatonderzoek? Wat je vanuit het buitenland wellicht ook moeilijker ziet, is dat de meeste Russen kritisch zijn op Vladimir Poetin, maar dat ze evengoed weinig op hebben met Aleksej Navalny, de vergiftigde en opgesloten oppositieleider.

‘Als je niet door het land kunt reizen, mis je de sfeer’, zegt Zmicier Mickiewicz, een journalist uit Belarus die naar het buitenland is gevlucht, net als vrijwel al zijn collega’s. Hij werd in 2020 opgepakt toen hij verslag deed van vreedzame protesten tegen machthebber Aleksandr Loekasjenko, maar de politie liet hem per ongeluk vrij in de hectiek van massa-arrestaties. Mickiewicz vluchtte naar Polen. Twee directe collega’s van Mickiewicz zitten in Belarus in de gevangenis, omdat ze verslag deden van een rouwbijeenkomst voor een demonstrant die omkwam door politiegeweld.

Verslag doen vanuit het buitenland is mogelijk, zegt Mickiewicz. De nieuwsorganisatie waar hij werkt, Belsat TV, houdt al jaren kantoor in Polen en verzamelt sinds de repressie van de afgelopen anderhalf jaar vooral informatie via de beveiligde berichtenapp Telegram. Het lukt dankzij VPN-verbindingen en YouTube om mensen in Belarus te bereiken.

Maar Mickiewicz geeft toe dat er nuance verloren gaat als je gesprekspartners niet persoonlijk kunt spreken, op de plek waar het om te doen is. Hij mist, net als ik, vooral het rondlopen tussen de mensen, met de oren en ogen open. Mickiewicz: ‘Ik zocht tijdens reportages altijd naar details. Die zeggen vaak meer dan grote feiten.’

Jeroen Visser Beeld Pauline Niks

Jeroen VisserBeeld Pauline Niks

Jeroen Visser

Wie correspondent is in Zuid-Korea, krijgt Noord-Korea er gratis bij. Toen ik in 2016 begon in Seoul, merkte ik al snel dat de meeste artikelen die ik zou gaan schrijven niet over Zuid- maar over Noord-Korea zouden gaan. Dat was zeker zo toen Donald Trump op het toneel verscheen en op Twitter begon te ruziën met de Noord-Koreaanse leider Kim Jong-un. ‘Little Rocket man’, noemde Trump hem plagerig, waarop Kim terugsloeg met ‘seniele ouwe gek’. De oorlogsspanning nam toe en daarmee ook de vraag naar artikelen over Noord-Korea, de ambities van het regime daar en de positie van gewone Noord-Koreanen.

Alleen: hoe doe je dat?

Noord-Korea is wel omschreven als het kluizenaarskoninkrijk, omdat het zich graag afsluit van de buitenwereld. In de praktijk is het vooral de heersende Arbeiderspartij die haar bevolking graag opsluit in een cocon van propaganda en daarom de grenzen en het internet dichthoudt. Persvrijheid bestaat niet in Noord-Korea en alle kranten die er verschijnen zijn propagandaboodschappen. Vrijwel dagelijks opent de krant met Kim Jong-un die, om maar iets te noemen, een visfabriek inspecteert.

Natuurlijk kun je Noord-Korea wel bezoeken, hoewel het land nu al twee jaar dichtzit vanwege het coronavirus. Voor de pandemie liet het land geregeld toeristen toe, meestal in de vorm van groepsreizen uit Beijing. Ook kon je meedoen aan de jaarlijkse marathon van Pyongyang. Voor journalisten werden persreizen georganiseerd. Zij werden daarbij intensief begeleid door overheidsmedewerkers, zodat ze geen spontane dingen zouden doen.

Toch konden die reizen zeker interessant zijn. Zo maakte de Volkskrant in 2018 een reportage over rijke millennials uit de elite van Pyongyang. Maar als journalist vrij bewegen, zelf je onderwerpen kiezen en buiten het zicht van de overheid met burgers spreken, dat gaat niet.

Geen wonder dus dat er in de Noord-Koreaanse hoofdstad zelf geen buitenlandse correspondenten zitten. Alleen tussen 2012 en 2014 had persbureau AP een correspondent in Pyongyang, Jean Lee. Ook zij ging dagelijks de strijd aan met de autoriteiten om toegang te krijgen tot scholen of evenementen. Daarnaast opereerde ze als Amerikaanse in een vijandelijke omgeving. ‘Ik was me constant bewust van de risico’s voor mij en mijn Noord-Koreaanse medewerkers’, vertelde ze me. ‘Eerlijk gezegd is mijn begrip van Noord-Korea toen vooral gegroeid door de dagelijkse interacties met Koreanen en het leven in Pyongyang.’

Het experiment eindigde met Lees vertrek in 2014. Haar opvolger Eric Talmadge opereerde vanuit Tokio. Anderen zitten in Beijing of, zoals ik destijds, in Seoul en moeten vandaar uit informatie over en uit Noord-Korea zien los te krijgen.

Wat meespeelt, is dat Noord-Korea slechts één woordvoerder heeft en dat is staatspersbureau KCNA, dat dagelijks grossiert in hoogdravende jubelberichten (als het gaat om de eigen regering) en scheldkanonnades (over Zuid-Korea of de VS). Ook daar waren voor de goede verstaander met kennis van de Noord-Koreaanse politiek en geschiedenis wel nuttige brokjes informatie uit te destilleren, maar een eenvoudige puzzel was dat niet.

En dus grijpen veel journalisten vaak naar het makkelijkste instrument: de expert. Voor duiding over de betekenis van de zoveelste rakettest (deze maand al zes stuks) of informatie over wat de Noord-Koreaanse bevolking bezighoudt, zijn voldoende experts te vinden. Hoogleraren, (oud-)journalisten, diplomaten en nucleaire experts, allen zeggen ze zeker te weten wat Kim van plan is. Dat is ook meteen het probleem: voor elke mening is wel een expert te vinden.

Een deel van die experts heeft het voordeel dat ze zelf uit Noord-Korea afkomstig zijn. Het zijn Noord-Koreaanse vluchtelingen die in Zuid-Korea bij een denktank werken of, in een enkel geval, politicus zijn geworden. Maar ook dat geeft geen garanties. Dat leerde ik zelf op pijnlijke wijze toen ik in 2020 in de krant schreef dat Kim Jong-un ‘voor 99 procent zeker’ was overleden. Kim was al twintig dagen niet in het openbaar verschenen en toen kwam Ji Seong-ho, een banneling die Zuid-Koreaans parlementslid was geworden, met de mededeling dat bronnen in het noorden hem hadden verteld dat Kim dood was. Althans, hij wist het voor 99 procent zeker. Een dag later dook een montere Kim, sigaret in de mond, op bij de inspectie van een fabriek.

Ik kwam erachter dat je voor betrouwbare inlichtingen over Noord-Korea creatiever moet zijn dan normaal gesproken van een journalist wordt verwacht. Zo spoorde ik de drie Nederlanders op die in 2017 werkzaam waren in Pyongyang, bijvoorbeeld voor de VN. Ze konden met terugwerkende kracht vertellen over wat ze gezien hadden.

Ook de ‘gewone’ vluchtelingen, de ruim 30 duizend Noord-Koreanen die in de afgelopen 25 jaar voor repressie of armoede zijn gevlucht, bleken een goede bron. Zo vertelde een vluchteling dat het regime het alledaagse leven van Noord-Koreanen bewust vol plant met activiteiten, zoals klusmiddagen en – elke zaterdag – zelfkritieksessies (om je ‘fouten’ op te biechten). Zo houd je burgers onder controle en voorkom je dat ze tijd hebben om verzet te organiseren. Perfecte public relations, zeg maar.

Zelf leerde ik het meest van dit soort persoonlijke verhalen, weg van de experts, de rakettesten en de geopolitiek. Zo ontstond ook het idee voor mijn boek Noord-Korea zegt nooit sorry, dat vorige week verscheen. Het boek gaat over een Noord-Koreaan, stuurman Lee Kwang-soo, die in 1996 met een spionage-onderzeeër op een rots liep voor de kust van Zuid-Korea. Hij werd gearresteerd (de anderen pleegden zelfmoord of werden na een lange klopjacht door de Zuid-Koreanen gedood) en zag zijn vrouw en 2-jarige zoontje nooit meer terug. Ik probeerde hem op te sporen om te kijken hoe een Noord-Koreaanse spion integreerde in het land van Samsung en K-pop. Dat bleek niet mee te vallen. Na zoveel jaar van opdeling zijn de Korea’s flink uit elkaar gegroeid, en niet alleen politiek. ‘Ik had het gevoel dat ik op een ander schiereiland was terechtgekomen’, zei de stuurman daarover. Zo leerde dit verhaal me meer over de Korea’s dan al die Noord-Koreaanse persberichten bij elkaar.

Jeroen Visser

Jeroen Visser is correspondent voor de Volkskrant. Tussen 2016 en 2020 was zijn standplaats Seoul. Vorige week verscheen zijn boek Noord-Korea zegt nooit sorry (uitgeverij Das Mag), over een rampzalig verlopen Noord-Koreaans spionagemissie uit 1996 die nog altijd zijn sporen nalaat. Tegenwoordig doet Visser verslag vanuit Stockholm.

null Beeld

Jeroen Visser, Noord-Korea zegt nooit sorry. Das Mag; 280 pagina’s; € 23,50.